Column Rineke Kraaij: Creatieve Economie
16 maart, 2012 - 16:28Sabine
Speciaal voor het publicatie event van de Hogeschool Rotterdam en de Creative factory op 15 maart, schreef Rineke Kraaij een column. Over de creatieve industrie, de kunsten en ondernemerschap.
Hoe ik creatief of cultureel ondernemer ben geworden tegen wil en dank: een reconstructie.
Ik besloot in 1994 kunst en cultuur wetenschappen te gaan studeren in Rotterdam. In eerste instantie wilde ik naar de kunstacademie. Maar ik had op dat moment zo’n verheven beeld van de kunstenaar. Een persoon die elke dag geniale ideeën moest hebben en inspiratie. Ik had toen dagenlang geen geniale ideeën, verveling lag vaak op de loer, laat staan dat er sprake was van fulltime inspiratie. Daarom leek het mij onverstandig kunstenaar te worden. Een meer dienende rol binnen de kunsten leek mij meer op z’n plaats. Let op hier breng ik een hiërarchie aan die nog steeds diepgeworteld in mijn systeem zit. Namelijk dat de autonome kunstenaar hoger staat dan elke andere persoon in die kunsten. Goed hier kom ik later nog op terug. Als mensen (vooral ouders en vrienden van mijn ouders of ouders van vrienden) mij dan vertwijfeld aankeken, stelde ik hen gerust en zei ik dat ik ofwel de nieuwe Hedy d’Ancona zou worden, ofwel directeur van het Boijmans of hoogleraar in de kunsten. Het is het allemaal niet geworden vooralsnog.
Die studie, dat viel wat tegen. Ik stond nu wel erg ver van de kunstenaar die ik misschien eigenlijk toch wel wilde worden af. We draaiden inhoudelijk voortdurend om het kunstwerk en de kunstenaar heen. Het ging voornamelijk om de context: maatschappelijk, economisch, organisatorisch. Potverdrie. Wat waren de randvoorwaarden waarin kunst kon gloreren en ontstaan vaak saai zeg. En toch heeft die studie wel bijgedragen aan de demystificatie van de kunsten. Het superheilige ging er een beetje af. Ik leerde dat autonomie eigenlijk niet bestaat. Dat kunst bijdraagt aan de economie. Dat er een heel circus, een branche bestaat rond het kunstwerk, de kunstenaar. Ook heb ik toen veel geleerd, ook al was ik het niet met hem eens, van Arjo Klamer, hoogleraar kunst en economie. Toen al warm pleitbezorger van een kunstensector die op eigen benen zou moeten staan, minder afhankelijk van de overheid. Hij kwam toen net fris en fruitig terug uit Amerika en rekende ons voor hoeveel overheidsgeld er in theaterkaartjes zat. Iets wat ik hem daarna nog vele malen heb zien doen. Kort gezegd kreeg ik door de studie een wat meer praktische en zakelijke blik op de kunsten. Wat helemaal niet erg was.
Kort na mijn afstuderen werd ik zakelijk leider van Dansateliers, een danswerkplaats voor jonge choreografen en dansers hier in Rotterdam. Wat op dat moment niet veel meer inhield dan contracten maken, WW-uitkeringen aanvragen of mede mogelijk maken voor dansers, verblijfsvergunningen regelen, boekhouden. Voor het echt begonnen was, ging ik al weer weg. Ik was jaloers op de dansers die in de studio konden maken wat ze wilden. Vervolgens deed ik een tijdje onderzoek aan de Erasmus Universiteit naar Actieplan Cultuurbereik (alwaar het ging om het vinden van nieuwe publieksgroepen en bevorderen van cultureel ondernemerschap) een uitvinding van Rick van der Ploeg en vervolgens werkte ik een paar jaar als radiomaker bij onder andere Kunststof en Radio Rijnmond. In mijn resturen waande ik mij stiekems kunstenaar en maakte ik korte films en organiseerde ik diverse kunstprojecten. Een serie nevenactiviteiten die bijna mijn echte banen overschaduwden.
Ik solliciteerde als debatredacteur bij de Rotterdamse Raad voor Kunst en Cultuur. Alwaar Hugo Bongers mij vroeg of mijn cv niet logischer zou leiden tot cultuurproducent. Was het niet logischer dat ik uiteindelijk directeur zou worden van bijvoorbeeld Lantaren/Venster? Ik vond het een belediging. Inhoud vond ik het allerbelangrijkste. Ik ging natuurlijk niet de zakelijke kant op, nee hoor bah. Inhoudelijke debatten organiseren, dat was waar ik voor stond. Gelukkig werd ik aangenomen. Nou toen hebben we het in al die debatten toch ook best vaak gehad hoor over die creatieve economie, en om nog wat modetermen de revue te laten passeren: kunst als middel, kunst en de markt, gebiedsgericht werken, kunst en de wijken, urban culture, talentontwikkeling, het mecenaat, kunst en participatie. En ik baalde er altijd weer van dat dan voor je het wist het debat weer ging over tra la la geld. God, wat konden die kunstenaars en mensen van culturele instellingen toch kleinzielig, kruideniersachtig praten over geld.
Aan de andere kant verbaasde het me dat toen hier op deze plek in september 2006 het rapport ‘Rotterdam maakt werk van creativiteit’ van de RRKC en de EDBR werd gepresenteerd, het helemaal niet meer om kunst leek te gaan. In het rapport stond letterlijk dat woorden als kunst en cultuur een negatief imago hadden en geassocieerd werden met elitair en geldverslindend. En dat het woord creativiteit juist positieve associaties opriep. Hmmm. Advies was dus om het te hebben over de creatieve sector en niet over de culturele sector als het ging om creativiteit als motor voor de economie van de stad. Ook werd er in het rapport gefocust op de toegepaste disciplines. Hè jammer, nu kon er eindelijk geld verdiend gaan worden, mochten de autonomen niet mee doen. Met veel champagne en blitse verhalen van jonge creatieve ondernemers werd het rapport gevierd.
Zelf hield ik op dat moment naast mijn werk bij de RRKC, kantoor in telkens weer wisselende tijdelijke panden en een beetje zurig keek ik dan ook naar de ontwikkeling van die Creative Factory waar in mijn ogen verwende toegepaste jongens en meisjes in een veel te fancy en hip kantoor hun dingetjes konden gaan doen. Ik verdiende mijn geld met inhoud bij de RRKC en verder was ik in mijn resttijd autonoom, underground in dito panden. Ik sloot zelf het water en licht wel aan en kon desnoods zonder stroom aan de slag voor het hogere. Kunstenaars zaten in afbraakpanden en afbraakbuurten waar zij dan meer weer weg moesten als het echt hip dreigde te worden. Creatieven van de toegepaste kant zaten in hippe verzamelgebouwen waar designers, reclame jongens, ict meisjes en anderen met elkaar unit en netwerkborrels organiseerden en daarmee de motor waren van de creatieve stad, hoezee!
Ondertussen organiseerde ik een debatreeks waarin we onderzochten hoe de kunstsector kon leren van andere sectoren. En weer stuitte ik op de onwil van de kunstsector in te zien dat indien je wat vaker het l’art pour l’art principe zou loslaten er niet alleen geld zou kunnen binnenstromen, maar dat dit ook zou leiden tot meer draagvlak, meer publiek en daarmee -en dat is wat ik belangrijk vond- kunst meer betekenis zou hebben in een samenleving.
En toen… besloot ik voor mezelf te beginnen. De crisis was net begonnen, dus dat leek me een prachtig moment om mijn contract voor onbepaalde tijd bij de RRKC op te zeggen en de grote onzekerheid huppelend tegemoet te treden. Natuurlijk noemde ik mezelf geen creatief ondernemer. Want als ik dat deed, had ik er meteen geen zin meer in. Nee ik was onderzoeker en conceptontwikkelaar, ofzoiets. Ik leidde gesprekken en debatten, maakte kunstprojecten rond twijfel en onbehagen en ik verzon en maakte de Grote Rotterdamse Kunstkalender 2012. Nou en dit laatste project bleek een hit. De kunstkalender is een groot succes. En het leuke was dat de autonomen en creatieven gebroederlijk verenigd waren in deze reuzedagscheurkalender. De ene dag Richard Hutten, de volgende dag Hester Scheurwater, dan weer Marlies Dekkers, vervolgens Co Westerik. En nu ben ik alweer wekenlang aan het bakkeleien met mijn uitgever over edities in Eindhoven, Den Haag en steden in den verre. En onderhandel ik keihard over royalties, honorarium en wat dies meer zij. Kortom het is zo ver: ik ben creatief ondernemer.
En dat vind ik niet meer erg. Ik vind het fijn dat de kalender de rijkdom van Rotterdam als creatieve kunstenstad laat zien. Ik vind het fijn dat de kalender zo goed als zonder subsidie rendabel kan zijn. Ik vind het prima als mensen in andere steden interesse hebben in een kalender voor hun citymarketing. Ik vind het leuk dat er bedrijven zijn die de kalender mede mogelijk maakten. Want (en daar gaat het natuurlijk om): het is een mooi ding.
Ik hoop dat ik de stad mooier maak. Ik doe dat niet vanuit de Creative Factory, hetgeen me overigens helemaal geen straf lijkt, maar vanuit PUP68. Een collectief kantoor/atelier in Rotterdam-West, wat bevolkt wordt door kunstenaars, filosofen en creatief ondernemers. Het water werkt, de verwarming ook, de wifi is snel, we hebben een keuken, een koelkast, een stofzuiger en een tuin. En een heel groot raam naar de straat. Soms doen we wat in de wijk met mensen uit de buurt, dan weer niet. Maar door dat raam kijken wij naar buiten en zwaaien we naar de mensen die we daar ondertussen allemaal al kennen. Zij zwaaien terug. Of ze komen langs en vragen wat we doen, wat we gaan doen. We hebben geen gordijn. We zijn altijd open en we maken mooie dingen.
Hier in de Creative Factory worden volgens mij ook mooie dingen gemaakt. Ik las in de publicatie dat de Creative factory intern een succes is. De samenwerking tussen de Hogeschool en de ondernemers in het pand een vruchtbare. Dat is mooi. Nu wil de Factory meer naar buiten treden. Een relatie aangaan met de wijk. Dat lijkt me nog mooier. Want dat is waar het mij in ieder geval om gaat. We willen geen naar binnen gekeerde kunstenaars, maar ook geen naar binnen gekeerde creatieve ondernemers. Beide groepen kunnen van waarde zijn voor de samenleving, de stad. Ik wens jullie allen heel veel succes om deze mooie grote betonnen kolos te ontsluiten en van betekenis te laten zijn voor de wijk. Naast unit- en netwerkborrels, voortaan ook wijkborrels en waarom niet een buurtfunctie in de factory: een bibliotheek, een buurthuis, wat dan ook. Dan worden creatieve ondernemers vanzelf sociale ondernemers en komen zij voor je het weet ook de kunstenaars tegen in diezelfde wijk die drukdoende zijn met sociaal-artistieke praktijken (een woord dat ik deze week leerde van de Vlamingen in Gent) en vormen we met z’n allen de spontane stad. En dan zorgt de overheid er dan vast wel voor dat ie ook schoon heel en veilig blijft.
Rineke Kraaij

